Het begrip sociale rechtvaardigheid dat aan de grondslag ligt van dit hoofdstuk neemt de gemeenschap, niet het individu tot vertrekpunt. Wat wordt bedoeld met “gemeenschap”?
Welke drie interpretaties van armoede worden in dit hoofdstuk voorgesteld?
. Op welke manier speelt participatieve rechtvaardigheid een rol in man-vrouw relaties?
Wat is het verschil tussen liefdadigheid en rechtvaardigheid (vgl. de in het hoofdstuk geciteerde uitspraak van Dom Helder Camara)?
Waarom kan het probleem van onrechtvaardigheid niet worden opgelost door eerstelijnshulp?
Hoe kan vermeden worden dat rechtvaardigheidstheorieën ideologieën worden die de machtsagenda van de machtigen in de hand werken?
De ervaring van onrechtvaardigheid gaat vaak samen met gevoelens van hulpeloosheid en moedeloosheid. Hoe is het mogelijk uit de impasse te geraken?
Op welke manier kan de religieuze dimensie van het transcendente bijdragen tot sociale rechtvaardigheid?