seizoenen (het seizoen)
seasons
vakantie (de)
holiday
willen
want
weten
know
gebeurt (gebeuren)
happens
verdelen (verdelen)
divide
jaren (het jaar)
years
uren (het uur)
hours
seconden (de seconde)
seconds
maand (de maand)
month
weer (het weer)
weather
seizoen (het seizoen)
season
warm
warm
tenminste
at least
zeggen
say
graden (de graad)
degrees
vinden
find
schijnt (schijnen)
shines
zon (de)
sun
erg
very
juli
July
augustus
August
september
September
herfst (de)
autumn