werden (ich werde)
D
zullen (ik zal)
NL
du
D
je/jij
NL
je: unbetont, jij: betont
aus
D
uit
NL
da, dort
D
daar
NL
sich vorstellen
D
zich voorstellen
NL
(mal) eben, kurz
D
even
NL
der Name
D
de naam
NL
heißen
D
heten
NL
mein
D
mijn
NL
sein
D
zijn
NL
kommen
komen
nein
nee
aber
maar
auch
ook
und
en
arbeiten
werken
Wo kommst du her?
Waar kom je vandaan?
woher
waarvandaan